• 06 - 130 123 21

Beelddenken en Leren op een manier die past (let op… veel leeswerk)

Leerproblemen bij taal en rekenen en andere vakken leiden vaak tot frustratie en onmacht. Uit onderzoek blijkt dat leerlingen met leerproblemen vaker hun rechter hersenhelft (creativiteit, denken in beelden en met gevoel) gebruiken bij het denken en leren. Zij behoren daarmee tot de groep van ongeveer 5% van alle kinderen en volwassenen die over deze mooie en soms lastige gave beschikken; zij leren en denken primair in beelden en/ of op gevoel. Denk ook aan dyslexie, dyscalculie, adhd, autisme waarbij beelddenken veelvuldig voorkomt.

Als je je afvraagt of je kind, jijzelf of een van je leerlingen misschien primair zijn rechter hersenhelft gebruikt c.q. een gevoels en/ of beelddenker is, komt dat waarschijnlijk omdat er iets aan de hand is. Het gaat op school of op het werk minder goed dan verwacht en je probeert de oorzaak te achterhalen. Je weet of voelt aan ‘dat er meer in zit dan eruit komt’. Ongeveer 95% van de kinderen en volwassenen gebruikt primair de linker hersenhelft en denkt en leert meer auditief en digitaal. Het onderwijs en het werkende leven is grotendeels op deze groep ingesteld.

De lesstof van de school kan gezien worden als een grote puzzel met losse stukjes die meestal over verschillende jaren wordt aangeboden. De meeste methoden bouwen de puzzel stukje voor stukje op en zijn gericht op het auditieve en digitale leren. Het totaalbeeld is daarbij niet direct zichtbaar.

Anders leren is normaal voor kinderen en volwassenen die meer vanuit de rechter hersenhelft leren. Zij kunnen beter leren en automatiseren door actief gebruik te maken van hun visuele en/ of gevoelsmogelijkheden en hebben echter baat bij het zien van het totaalbeeld om de opbouw te snappen. Vanuit dat totaalbeeld kan een beeld- en/ of gevoelsdenker vanuit zijn rechter hersenhelft beter redeneren (omgekeerd leren) en de tussenstukjes ontdekken. Deze stap is nodig om de losse stukjes een plaats te kunnen geven, te kunnen ordenen en niet te laten zweven of door teveel te associëren ergens anders uit te komen.

Veel van de leerproblemen laten zich bijvoorbeeld zien als automatiserings, lees-, reken of spellingsproblemen. Denk aan dyslexie (leesstoornis), dysortografie (spellingsstoornis), dyscalculie (rekenstoornis) of dysfasie (taalstoornis). Maar ook hoogbegaafde kinderen en volwassenen kenmerken zich soms door een sterk ontwikkelde rechter hersenhelft.

Bij deze groep leerlingen helpt de gewone bijles onvoldoende omdat ze de leerstof veelal ook daar op voor hen ‘foute’ wijze krijgen aangeboden.

Het is gelukkig mogelijk om deze groep een voor hen passende methode van leren aan te leren en hen te begeleiden hoe dat op school toe te passen. Zij leren de voor hen relevante informatie te vertalen naar een bij hun primaire hersenhelft passende methode, maken zij zich de lesstof beter eigen en krijgen zichtbaar meer rust en positiviteit in het leren.

Het is juist de bedoeling dat de manier van leren en lesgeven aan het kind wordt aangepast. Elke kind is weer anders, dus er moet echt naar het kind zelf gekeken worden en erachter komen wat het beste werkt. Belangrijk daarbij is dat het kind plezier blijft houden in het leren en dat het nieuwsgierig blijft.

Hoe zit het nou?

Om iets te onthouden moet je het opslaan in je hersens, de informatie krijgt een vaste plek in je hoofd en je kunt het gebruiken (bijvoorbeeld bij een toets of proefwerk). De meeste kinderen, jongeren en volwassenen doen dit door informatie te lezen, nog een keer te lezen en/ of te horen (auditief). Maar niet iedereen!

Een kleine groep leert door middel van beelden, is visueel en/ of op het gevoel ingesteld. Ze onthouden dingen als ze er een plaatje van hebben (gemaakt) en kunnen dingen terughalen door het plaatje op te zoeken en in beeld te laten komen.
Vanaf de geboorte tot een jaar of 4 zijn de meeste mensen beelddenkers. De rechter hersenhelft (beleven, ritme, overzicht, verbeelding, dromen) is primair aan het werk. Vanaf het 4e jaar gaat bij de meeste kinderen taal meer overheersen, beredeneren wordt normaler en is sprake van woorddenken. De linker hersenhelft (plannen, details, woorden, nummers) wordt dan meer actief.

Bij een klein aantal mensen blijft sprake van dominant “beelddenken”. Deze mensen praten veel en soms snel (slaan soms woorden over). Het beeld- en gevoelsdenken heeft zowel voor- als nadelen. Een voordeel is dat complexe situaties in een oogopslag overzien kunnen worden. Ze hebben gevoel voor ritme, hebben een goed ruimtelijk inzicht en kunnen denken vanuit een totaalbeeld. Daarbij zijn ze vaak creatief, kunnen bijvoorbeeld mooi tekenen, muziek maken of nieuwe dingen bedenken. Als beroep kiezen ze dan ook zoveel mogelijk voor werk dat daarbij aansluit, bijvoorbeeld kunstenaar, architect of ontwerper.

Mensen die de rechter hersenhelft meer gebruiken, denken en leren in beelden en gebeurtenissen en minder verbaal. De wijze van opnemen, verwerken en weergeven van informatie in en uit de hersenen verloopt anders. Alle informatie komt gelijktijdig en in een geheel binnen (in een oogopslag) ook als het uit meerdere delen bestaat. Daardoor overziet hij snel het geheel en kan hij vlot een oplossing bedenken.

Het snelle denken maakt dat woorden en beelden niet altijd even vlug en makkelijk in taal of in getallen omgezet kunnen worden. Daardoor zijn ze soms moeilijk te volgen voor anderen.

Herkennen van beeld- en gevoelsdenkers
In de wetenschap worden verschillende leer- en denkstijlen onderscheiden: visueel, kinesthetisch, auditief, en digitaal. Van welk denksysteem iemand gebruik maakt kun je meestal zien aan de oogbewegingen die iemand maakt:

  • Gaat iemand omhoog met de ogen terwijl hij nadenkt, dan gebruikt hij het veelal het visuele systeem
  • Gaat iemand schuin naar beneden met de ogen dan gebruikt hij veelal het kinesthetische systeem of in geval van het rechttoe rechtaan denken het digitale systeem.
  • Gaat iemand opzij met de ogen, dan gebruikt hij veelal het auditieve systeem

Kinderen met leerproblemen hebben meestal de eigenschappen die passen bij het visueel-kinesthetisch te denken. Dit betreft het beelddenken in combinatie met het gevoelsdenken. Het ene moment zijn ze heel druk en energiek (zitten ze in het visuele systeem) en het andere moment zijn ze heerlijk rustig in een hoekje aan het spelen (zitten ze in het gevoelssysteem). Juist deze combinatie creëert het leerprobleem.

Bij dagelijkse, praktische problemen kunnen deze kinderen gevoelsmatig snel tot een oplossing komen. Wordt hen een vraagstuk voorgelegd, zien ze soms meer dan een oplossing. Welke moeten ze dan kiezen? Ze willen het graag goed doen, zijn perfectionistisch en niet gauw tevreden met een onvolledig antwoord. Ze willen alle opties bekijken. Het kan niet zo zijn dat het meest voor de hand liggende antwoord het juiste is. De buitenstaander ziet niet met welke processen deze kinderen bezig zijn en denkt vaak dat er niets gebeurt.

Enkele andere kenmerken van een beeld- en/ of gevoelsdenker
Als je je afvraagt of je kind, jijzelf of een van je leerlingen misschien primair zijn rechter hersenhelft gebruikt c.q. een gevoels en/ of beelddenker is, komt dat waarschijnlijk omdat er iets aan de hand is. Het gaat op school of op het werk minder goed dan verwacht en je probeert de oorzaak te achterhalen. Je weet of voelt aan ‘dat er meer in zit dan eruit komt’. Niemand is gelijk maar er zijn wel een aantal overeenkomsten……

Beelddenkers zijn soms behoorlijk koppig. Ze hebben vaak, uit lijfsbehoud, een goed doorzettingsvermogen. Ze vinden het lastig om belevenissen en emoties in woorden om te zetten en een verhaal logisch en chronologisch te vertellen; het gaat van de hak op de tak. Over het algemeen kan gezegd worden dat ze het moeilijk hebben op school en dat het leren niet zo snel gaat als gewenst. Standjes en grapjes worden meestal te persoonlijk of te letterlijk opgevat. Ze staan vaak wat alleen tussen broertjes / zusjes en andere kinderen. Dit is echter geen onwil, maar onmacht.

Iets vertellen gebeurt vaak met veel gebaren, fantasie en werkelijkheid is soms moeilijk te onderscheiden, woorden worden verhaspeld, het is geen samenhangend geheel en er kunnen woordvindingsproblemen zijn. Enkele veel voorkomende zaken:

  • Worstelen met letters; dansende letters, draaiende b die zomaar kan veranderen in een d, p of zelfs een q
  • Husselen van letters; woorden schudden tot een bekend woord ontstaat
  • Cijfers omkeren waardoor 23 ineens 32 wordt
  • Vermenigvuldigen (gr. 4) en delen (gr 5) zijn 1 groot doolhof en worden pas duidelijk als in gr 6 breuken aangeboden worden
  • Overprikkeling zorgt voor onrust; de wereld kan overweldigen. Rust en afscherming is nodig. (study budy, koptelefoon)
  • Driedimensionaal denken, iets van alle kanten kunnen bekijken
  • Lastig tijdsbesef, moeilijk plannen; maak een eenvoudig planbord met vaste kleuren.

Het jonge kind (baby tot kleuter):
Jonge kinderen kenmerken zich vaak door niet, laat of gebroken praten gedurende een langere periode met soms een eigenzinnig woordgebruik. De motorische ontwikkeling verloopt daarbij meestal ook wat trager. Ze zijn bijvoorbeeld verhoogd ongeluksvatbaar en vallen en botsen best veel. Een trage reactie en soms onverwacht snelle reactie, driftbuien, huilpartijen en/of paniekreacties zijn zeker geen onbekenden voor de kleine beelddenkers. De fijne motoriek ontwikkelt regelmatig iets trager dan bij een gemiddeld (school)kind. Het oriënteren in de ruimte is vaak blijvend lastig; motorische vaardigheden als fietsen, zwemmen, balspelen, schrijven zijn moeilijk te leren.

De beelddenker in het basisonderwijs:
In groep 3 wordt gestart met aanvankelijk lezen, schrijven en rekenen. In deze periode worden de eerste problemen zichtbaar. Soms is een signaal hiervoor al boven gekomen in groep 1 en 2. De informatieverwerking verloopt traag. De beelddenker heeft moeite met luisteren en zich aan afspraken en regels houden. Bij het lezen maken beelddenkers vaak onvoldoende vorderingen; het beginnend lezen verloopt vaak nog wel redelijk vanwege het visuele karakter ervan. Ze kunnen wel stillezen en leesbegrip hebben, maar moeite met voorlezen of hardop lezen hebben. Het struikelen over de eigen woorden en springen van de hak op de tak is nog zo’n overeenkomst. Het denken gaat daarbij sneller dan het spreken en de chronologische vertellijn wordt losgelaten. Woordjes worden overgeslagen of verkeerd gelezen. Het spreken gebeurt meestal binnensmonds en / of in gebroken zinnen. De woordenschat is beperkt, maar origineel.

Beelddenkende kinderen hebben meer tijd nodig om tot automatiseren te komen dan de andere kinderen uit de klas. Ze hebben moeite met ordening in tijd en ruimte en de ruimtelijke oriëntatie is lastig. Hierdoor kunnen ze symptomen van dyslexie ontwikkelen. Links of rechts, eu of ue, b of p kunnen voor een ruimtelijk denkend kind een groot probleem opleveren. Bovendien maken ze veel zogenaamde oriëntatiefouten, d.w.z. de verkeerde letter koppelen aan een bepaalde klank. Beelddenkers concentreren zich namelijk op overeenkomsten tussen bepaalde letters. Ze nemen globaal waar. Hierdoor worden de verschillen over het hoofd gezien.

Ook bij het rekenen hebben beelddenkende kinderen vaak problemen met automatiseren. De sommen tot 20, de volgorde van de cijfers en de tafels kunnen problemen opleveren. Vaak heeft de beelddenker een eigen rekenstrategie ontwikkeld die over het algemeen nogal omslachtig is.

Beelddenkers zijn getalenteerd associatief en sterke doorzetters. Tijdens de uitleg lijken ze vaak weg te dromen, waardoor ze de instructie dreigen te missen. Begrijpend lezen, verhalen vertellen en tekenen zijn gebieden waarop de meeste uitblinken. Ook bij vakken als wereldoriëntatie en geschiedenis kunnen zij zich duidelijke beelden voorstellen.

De leerling in het voortgezet onderwijs:
De oudere beelddenker blijft emotioneel vaak wat achter bij leeftijdgenoten en kent een grote fantasie. In het schoolwerk laat hij daarbij een wisselend prestatiepatroon zien. De oudere leerling kan zaken moeilijk systematisch aanpakken, heeft moeite met ordenen van bijvoorbeeld de agenda en een planning voor een proefwerkweek. Zijn manier van werken oogt rommelig. Op de eigen kamer is het vaak een rommeltje, opruimen helpt maar voor even, vaak afgeleid van buitenaf, van binnenuit slechte concentratie. Daarbij speelt ook een tekort aan zelfdiscipline en overschatting van een geleverde prestatie.

Hij heeft bijvoorbeeld snel het gevoel klaar te zijn als hij nog maar net begonnen is. Begrijpend lezen kost mogelijk meer tijd door het lage tempo van lezen. Het leren van woordjes en rijtjes kost dan ook grote moeite. ‘Kleine’ woordjes worden verwaarloosd, er worden synoniemen gelezen, er is tegenzin in het lezen van ‘grote’ boeken.

(Gebaseerd op ‘woordblindheid en beelddenken van drs.P.C.Ojemann en op de Kernvisie methode: Krachtig Anders Leren van Wim Bouman)